Op huijden den 22. september 1681 compareerde voor mij Cornelis de Rijp openbaer Not(ariu)s bij den hove van hollandt geadmiteert in 's Gravenhage residerende en getuijgen naergenoemd S(ieur) Carel Hacart dewelcke verclaerde te constitueeren en volmaghtigh te maecken soo hij doet bij desen De H(ee)r en meester ....? Audaen Ad(vocae)t tot Rotterdam specialijcken omme in te maenen en ontfangen van de H(ee)r Busero gecommitterde raet ter Admiraliteyt residerende tot Rotterdam de somme van vijftig Ducatons die den comparant voor ende ter verzoecke van den voornoemde heer Busero gecomponeert ende in musijck gestelt heeft Duijsche Commedie bij den selven h(ee)r Buijsero gemaeckt, van den ontfangh quitantie te passeren ende geven ende in geval geen getalingh te becomen daerom alle middelen van reghten aen te wenden tot executie incluijs, ende voorts in omnibus ad lites cum potestate substituendi belovende van waerden te sullen houden ende doen houden ende C(eter)a
Aldus gedaen ende gepasseert in 's Hage ter presentievan Willem van Wijck ende J. Steenis
(getekend)Willem van Wijck
J.Steenis
Carolus Hacquart
Cornelis van Ryp, Not(ariu)s.
A.M. le Prince Maurice.
A la Haye, ce 2 Octobre 1679
.....En s'ingérant ainsy dans vos affaires, Monseigneur, j'allois oublier la promesse que j'ay esté pressé de faire au S(ieu)r Hacquart, qui est ce grand maistre de musique, de quel V(ostre) A(ltesse) se souviendra d'avoir un jour entendu le beau concert dans sa sale. Il y à quelques mois qu'il est venu hors d'Amsterdam planter sa famille à La Haye, ou souhaittant de pouvoir entretenir les Amateurs du beau monde, de ses Compositions, qui sont excellantes, et se trouvant pour cela trop logé à l'estroit, la question est, si V A pourroit agreer, qu'un jour de la sepmaine il pust faire ces exercice dans sadite sale, ou je pense que sont encor les Orgues, mais qui par faute d'usage doibvent deperir. Il se chargeroit de les remettre en estat; et cependant la faveur de V A ne seroit que provisionelle et revocable à tous momens.
Den XI November 1679 / Carel Haquart Burger geworden en heeft de behorelijcke eedt afgelegt.
Chelijn vobis meam, Viri ornatissimi, intermortuam mutamque trado;
sed digitis potissimum vestris animandam, qui Hagiensis chori animae geniales estis et lusciniae.
Arridebunt, spero, tenerioribus auribus vestris suavitates ingenij mei, quas ad lampada, quae non olet vinum, eliminatas elucubravi. Ludite, dum à curiä, curisque non blandis, sed negotiosis interquiescetes suaviter, et coludite consoni; ac ostendite suam terris musicen esse, caelesti aemulam. Valete et plaudite.
Vester non iam Magister sed servus, Carolus Hacquart.
Mijn zeer geëerde heren, ik bied U mijn Chelys aan, die gedurende enige tijd dood en stom was. Maar Uw vingers moeten haar weer tot leven wekken, Gij die toch de vruchtbare geesten en de nachtegalen zijt van het Haagse koor. Het zoete gewrocht van mijn geest, dat ik met zorg en vol ijver heb afgewerkt, bij het licht van een lamp die niet naar wijn rook, zal, naar ik hoop, Uw fijngevoelige oren behagen. Speelt zoet, terwijl Gij nu en dan uitrust na Uw taak op het gerechtshof, na de zorgen die niet verkwikken maar die U geheel in beslag nemen, en speelt harmonieus tezamen, en toont aan dat er op aarde een muziek bestaat die kan wedijveren met de hemelse. Vaarwel. Niet langer Uw Meester, maar Uw dienaar, Carolus Hacquart.
Acheté a La Haye. 1701/ couste 4 florins
(Handschrift Falle:) which according to the change at that time, was 8 Schilling and 8 pense.
I was asked 30 florins by Roger in Amsterdam!