Van de talrijke in de 17e eeuw afgebeelde instrumenten weten we niet waar en door wie ze gemaakt zijn. Er zijn slechts een klein aantal Nederlandse gamba's in hun oorspronkelijke vorm overgeleverd of teruggebouwd. De instrumenten van Pieter Rombouts (1667-1740?) konden zich meten met die van grote bouwers uit onze buurlanden. In het Gemeentemuseum in Den Haag zijn twee gave exemplaren te zien.
Ook het museum in Brussel heeft een bijzondere diskantgamba van Rombouts.
Een bouwer die een eeuw eerder leefde en waarvan slechts één instrument bewaard is gebleven was Pieter Bosch (ca.1678 - ca. 1640). Het etiket geeft aan dat we te maken heben met een instrument uit 1625.
Hoewel de naam op dit etiket anders is gespeld gaat het zeker om de Amsterdamse bouwer.
Behalve een gaaf roset heeft de leeuwenkop die deze zessnarige basgamba siert ingelegde tanden.
De leeuwenkop zien we al veel vroeger op een afbeelding opduiken. In de krans om het portret van Coornhert staat een gamba met opvallend smalle hals en een leeuwenkop. In dit portret dat gedateerd is in 1591, domineert de gamba de afdeling muziek bij Coornhert. De kop is opvallend gedetailleerd.
Ook veel later treffen we nog leeuwenkoppen aan zoals een lichtgelakte gamba bij Jan Verkolje, die overigens ook een soortgelijk roset als bij de Bosch-gamba bevat. Hetzelfde instrument is ook door Verkolje getekend; muziek op het terras.
Een ander typisch fenomeen in de iconografie van de Nederlandse gamba in de 17e eeuwse genreschilderijen zijn de klankgaten in slang- of vlamvorm, zoals te zien bij Michiel van Musscher. Omdat het om een relatief korte periode (1665 - 1676) gaat lijkt het een modeverschijnsel te zijn geweest. Toch is ook de gamba op de titel van Hacquart's Chelys met dergelijke gaten versierd.
Maar ook het instrument bij Gerrit Dou is onmiskenbaar aan de mode onderhevig.