Redacteur: laatste wijziging 5 juli 1996.

Raad van State, Afdeling rechtspraak 16 januari 1984

Vindplaats : AB 1985/614
----------------------------------------------------------------------
Instantie  : AFDELING RECHTSPRAAK RAAD VAN STATE
             16 januari 1984
             (Mrs. Kapteyn, Van Zeben, Verdam)
             No. A-1.1485 (1981)
             (m.nt. HJdR)

Regeling   : Algemene wet inzake rijksbelastingen art. 67; Wet
             openbaarheid van bestuur art. 1

Essentie   : Geheimhoudingsplicht Algemene wet inzake
             rijksbelastingen niet van toepassing tegenover
             belastingplichtige zelf.
             De geheimhoudingsplicht van art. 67 Algemene wet inzake
             rijksbelastingen heeft geen betrekking op het bekend
             maken aan de contribuabele zelf, of aan degene die in
             diens opdracht handelt, van gegevens die uitsluitend de
             persoon of de zaken van contribuabele betreffen.
             In dergelijke gevallen kan het bepaalde in art. 67
             Algemene wet inzake rijksbelastingen de toepassing van
             de Wet openbaarheid van bestuur niet in de weg staan. De
             vernietiging van het door appellante bestreden besluit
             betekent op zichzelf nog niet dat verweerder bij het
             opnieuw voorzien in deze zaak, gehouden zal zijn tot -
             volledige - openbaarmaking van de door appellante
             gevraagde informatie.

Tekst      : Scientology Kerk Amsterdam te Amsterdam, appellante,
             tegen
             De staatssecretaris van Financien, verweerder,
             vertegenwoordigd door mevrouw Mr. I. C. van der Vlies en
             Mr. R. G. Leether, ambtenaren ten departemente.
             Op 17 juli 1981 heeft verweerder mede namens de
             directeur der rijksbelastingen te Amsterdam en de
             inspecteur der directe belastingen te Amsterdam op de
             verzoeken van appellante om inzage van documenten die
             betrekking hebben op de Scientology Kerk, Scientology of
             welke andere afgeleide Scientology-naam dan ook, een
             besluit van de volgende inhoud genomen:
             De Wet openbaarheid van bestuur, waarop u uw verzoek
             hebt gegrond, kent niet het documentenstelsel waarbij de
             verzoeker om een of meer specifiek aangeduide documenten
             vraagt maar het informatiestelsel waarbij de verzoeker
             vraagt om informatie over een door hem vermelde
             bestuurlijke aangelegenheid. Deze informatie moet
             voorhanden zijn in dier voege dat zij is neergelegd in
             documenten. Uit uw brief bleek echter nog niet over
             welke specifieke informatie van bestuurlijke aard u
             wenst te beschikken.
             In een gesprek dat ter zake van de onderwerpelijke
             aangelegenheid op 15 april 1981 ten departemente
             plaatsvond tussen de heer Laarhuis van de
             Scientology-missie te 's-Gravenhage en een tweetal van
             mijn hoofdambtenaren is aan vorengenoemde heer Laarhuis
             uiteengezet dat het verzoek zoals dat is neergelegd in
             uw brief van 30 dec. 1980 gelet op het vorenstaande
             alsnog nader diende te worden geconcretiseerd. Aan het
             slot van het gesprek werd afgesproken dat dezerzijds zou
             worden nagegaan welke informatie van bestuurlijke aard
             bij de instanties ressorterende onder het Ministerie van
             Financien aanwezig is op grond waarvan een door u
             veronderstelde beleidswijziging ten aanzien van de
             heffing van omzetbelasting heeft plaatsgevonden.
             In verband daarmede vond een ambtelijk onderzoek plaats
             dat inmiddels kon worden afgesloten. Daaruit is mij het
             volgende gebleken.
             Naar aanleiding van de door u tegen de diverse aan uw
             organisatie opgelegde aanslagen omzetbelasting
             ingediende bezwaarschriften vond op 12 nov. 1980 ter
             inspectie der omzetbelasting te Amsterdam een gesprek
             plaats met een tweetal medewerkers van uw organisatie
             die zich lieten bijstaan door twee medewerkers van
             Moret, Gudde en Brinkman. Daarbij is desgevraagd
             uitvoerig aan hen uiteengezet waarom de desbetreffende
             aanslagen omzetbelasting zijn opgelegd.
             Verder bleek mij dat bij de instanties welke ressorteren
             onder dit ministerie, een aantal voor een ieder
             toegankelijke publikaties voorhanden is zoals bijv. in
             de "Haagse Post" en "Elseviers magazine". Ook bevinden
             zich daarbij boekwerken en brochures welke door de
             Scientology Kerk zelf zijn uitgegeven en welke door
             medewerkers van uw afd. public relations aan
             belastingambtenaren, die in het kader van
             controlewerkzaamheden bij u werkzaam waren, zijn
             verstrekt. Voor een globaal overzicht van de hiervoor
             bedoelde publikaties, boekwerken en brochures verwijs ik
             u naar de bijlage bij mijn brief.
             Ook is ter zake van de onderwerpelijke kwestie een
             aantal interne ambtsberichten uitgebracht. Ingevolge de
             geheimhoudingsverplichting in fiscale zaken, zoals deze
             is neergelegd in art. 67 Algemne wet inzake
             rijksbelastingen, wordt de inhoud van deze berichten
             evenwel niet aan derden bekend gemaakt.
             Ik wijs er in dit verband op dat in de "aanwijzingen
             inzake openbaarheid van bestuur" welke aanwijzingen ten
             doel hebben een goede uitvoering van de Wet openbaarheid
             van bestuur te bevorderen, nadrukkelijk is bepaald dat
             geheimhoudingsbepalingen bij of krachtens andere wetten
             gesteld, als speciale bepalingen voorrang hebben boven
             de algemene bepalingen van de Wet openbaarheid van
             bestuur.
             Tegen dit besluit heeft appellante bij schrijven van 26
             juli 1981, ingekomen bij de RvS op 28 juli 1981, beroep
             op grond van de Wet Arob ingesteld bij de Afd.
             rechtspraak RvS.
             Appellante voert daarbij aan:
             Enerzijds geeft het ministerie een lijst met een aantal
             publikaties, waarvan wij ons niet kunnen voorstellen,
             dat zij aanleiding kunnen zijn geweest voor het
             ministerie en/of de inspectie der belastingen om hun
             beleid op zo drastische wijze te veranderen, dat wil
             zeggen door op 3 nov. 1980 "zo maar" met een
             belastingaanslag van 10 miljoen gulden te komen, zonder
             enige vorm van inspectie.
             Daarnaast wijst het ministerie ons verzoek tot inzage in
             documenten af met een beroep op art. 67 Algemene wet
             inzake rijksbelastingen.
             Echter art. 67 spreekt niet over geheimhouding in
             absolute zin.
             Geheimhouding is geboden wanneer verder bekend maken van
             gegevens niet nodig is voor de uitvoering van de
             belastingwet of voor heffing of invordering.
             Waar ik op doel is het volgende.
             Nadat in november 1980 de belasting te Amsterdam
             aanslagen had opgelegd, bleken deze na inspectie veel te
             hoog te zijn en zijn derhalve ook verlaagd.
             Dit, heel duidelijk gesteld, nog afgezien van het feit
             of de Kerk uberhaupt omzetbelasting verschuldigd is of
             niet; met betrekking tot deze zaak loopt overigens een
             juridische procedure.
             Echter het kantoor der belastingen te Amsterdam
             beschikte blijkbaar in november 1980 (en daarvoor) over
             gegevens, die incorrect bleken te zijn.
             Dit neemt niet weg dat de Belastingdienst in eerste
             instantie gehandeld heeft op grond van onjuiste en/of
             onvolledige gegevens.
             Op grond van het bovenstaande menen wij te kunnen
             stellen, dat art. 67 Algemene wet inzake
             rijksbelastingen niet absoluut toepassing kan vinden,
             omdat dit juist een correcte beoordeling in de weg heeft
             gestaan en wellicht nog staat. Dat wil zeggen de
             Scientology Kerk is niet in de gelegenheid gesteld om
             correcte gegevens te stellen tegenover deze onjuiste
             gegevens. Zelfs na inspectie door het belastingkantoor
             bleek men een onjuist beeld te hebben van de juiste
             cijfers en gegevens.
             Reden te meer dat wij dit beroep indienen is het feit
             dat er sprake is en is geweest van een vooringenomenheid
             van de kant van het belastingkantoor.
             Onzes inziens is dan ook de enige mogelijkheid om dit op
             te lossen het vaststellen over welke specifieke gegevens
             het ministerie en de inspectie der belastingen te
             Amsterdam dan wel beschikten. Het is onze stellige
             overtuiging dat onjuiste gegevens met betrekking tot de
             aard en het karakter van de Scientology Kerk en met
             betrekking tot financiele aangelegenheden van de Kerk de
             meningen en beleidsbepaling van het ministerie en/of de
             inspectie te Amsterdam in hoge mate nadelig hebben
             beinvloed.
             De bedoeling van de Kerk in dezen is dan ook geen andere
             dan om mogelijk onjuiste gegevens te corrigeren en
             onvolledige gegevens aan te vullen.
             Dit kan derhalve nooit in strijd zijn met het door het
             Ministerie van Financien aangehaalde art. 67, aangezien
             het verkrijgen van een juist beeld met betrekking tot de
             onderhavige zaak juist nodig is voor een zo correct
             mogelijke uitvoering van de belastingwet.
             Bovendien stelt het Ministerie van Financien in zijn
             antwoord van 17 juli 1981 dat de inhoud van bepaalde
             ambtsberichten niet aan derden bekend wordt gemaakt. Wij
             menen echter in dezen geen derden te zijn. De Kerk is
             immers direct betrokken bij een en ander.
             Het beroepschrift van appellante is met toepassing van
             art. 11 eerste lid Wet Arob aan de minister van
             Financien toegezonden met uitnodiging om binnen veertien
             dagen schriftelijk te verklaren of dit beroepschrift als
             bezwaarschrift zal worden aangemerkt en als zodanig in
             behandeling zal worden genomen.
             De minister, voornoemd, heeft naar aanleiding daarvan
             medegedeeld dat aan die uitnodiging geen gevolg zal
             worden gegeven.
             Desgevraagd heeft verweerder op 27 dec. 1982 een
             verweerschrift ingediend.
             Het geschil is op 22 nov. 1983 behandeld in een openbare
             vergadering van de Afd., waarin verweerder bij monde van
             zijn vertegenwoordigers zijn standpunt nader heeft
             uiteengezet. Appellante heeft zich niet doen
             vertegenwoordigen.
             In rechte:
             Ingevolge art. 1 eerste lid Wet openbaarheid van bestuur
             wordt een verzoek om informatie gericht tot een
             overheidsorgaan ingewilligd tenzij daartegen bezwaar
             bestaat.
             Uit de tekst van de Wet openbaarheid van bestuur en met
             name ook uit de geschiedenis van de totstandkoming
             daarvan blijkt duidelijk dat met deze wet niet is beoogd
             de bestaande wettelijke regelingen inzake openbaarheid
             en geheimhouding op speciale terreinen opzij te zetten
             dan wel daarnaast een aanvullende mogelijkheid te bieden
             om informatie te verkrijgen.
             Zulks is o.m. tot uitdrukking gebracht in de motie Van
             der Sanden: (Handelingen Tweede Kamer 17 febr. 1977, p.
             3276, derde kolom) "De bestaande bepalingen over
             openbaarheid en geheimhouding bij of krachtens andere
             wetten gesteld, verhouden zich tot die van de Wet
             openbaarheid van bestuur als bijzondere tot algemene.
             Als zodanig hebben zij voorrang boven laatstgenoemde.
             Als zij ruimte laten voor verschillende uitleg dienen
             zij zo te worden uitgelegd dat zij zoveel mogelijk
             overeenstemmen met de maatstaven van de Wet openbaarheid
             van bestuur."
             Het bovenstaande wordt gelijkluidend weergegeven in de
             "aanwijzingen inzake openbaarheid van bestuur"
             (vastgesteld bij besluit van de Minister-President van
             21 dec. 1979, Stcrt. 1980, 6) onder A, punt 2.1.
             Naar aanleiding van het verzoek van appellante aan
             verweerder om inzage van documenten die betrekking
             hebben op de Scientology Kerk. Scientology of welke
             andere afgeleide Scientologynaam dan ook, heeft
             verweerder op 17 juli 1981 besloten dat de inhoud van
             een aantal in verband met aan appellante opgelegde
             aanslagen omzetbelasting opgemaakte interne
             ambtsberichten niet wordt bekend gemaakt.
             Aan dit besluit heeft verweerder de overweging ten
             grondslag gelegd dat de geheimhoudingsverplichting in
             fiscale zaken, zoals deze is neergelegd in art. 67
             Algemene wet inzake rijksbelastingen zich verzet tegen
             bekendmaking van zodanige berichten aan derden. Naar het
             oordeel van verweerder zoals dit blijkt uit het
             verweerschrift en het verhandelde ter zitting is in art.
             67 Algemene wet inzake rijksbelastingen een bijzondere
             geheimhoudingsregeling neergelegd zodat de Wet
             openbaarheid van bestuur gelet op de geschiedenis van
             haar totstandkoming alsmede de "Aanwijzingen inzake
             openbaarheid van bestuur" te dezen niet van toepassing
             is. Daarbij stelt verweerder zich op het standpunt dat
             de in art. 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen
             neergelegde geheimhoudingsplicht ook geldt tegenover de
             betrokken belastingplichtige zelf.
             De Afd. deelt de opvatting van verweerder niet.
             Ingevolge art. 67 eerste lid Algemene wet inzake
             rijksbelastingen is het een ieder verboden hetgeen hem
             in enige werkzaamheid bij de uitvoering van de
             belastingwet, of in verband daarmee, nopens de persoon
             of de zaken van een ander blijkt of medegedeeld wordt,
             verder bekend te maken dan nodig is voor de uitvoering
             van de belastingwet of voor de heffing of de invordering
             van enige rijksbelasting.
             Zoals de Afd. reeds eerder als haar oordeel te kennen
             heeft gegeven heeft dit voorschrift geen betrekking op
             het bekend maken aan de contribuabele zelf of aan degene
             die in diens opdracht handelt, van gegevens die
             uitsluitend de persoon of de zaken van de contribuabele
             betreffen.
             Niet in geschil is dat de in geding zijnde
             ambtsberichten uitsluitend gegevens bevatten met
             betrekking tot appellante zelf.
             Gelet hierop kan naar het oordeel van de Afd. het
             bepaalde in art. 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen
             te dezen niet aan toepassing van de Wet openbaarheid van
             bestuur in de weg staan.
             Het bovenstaande leidt de Afd. tot het oordeel dat het
             besluit van verweerder van 17 juli 1981 zich niet
             verdraagt met het beginsel van behoorlijk bestuur dat
             een beschikking moet kunnen worden gedragen door de
             motivering welke daaraan is gegeven, zodat dit besluit
             met toepassing van art. 8 eerste lid onder d Wet Arob
             dient te worden vernietigd.
             De Afd. acht het overigens raadzaam op te merken dat de
             vernietiging van het door appellante bestreden besluit
             op zichzelf nog niet betekent dat verweerder bij het
             opnieuw voorzien in deze zaak, gehouden zal zijn tot -
             volledige - openbaarmaking van de door appellante
             gevraagde informatie over te gaan.
             Uitspraak:
             De RvS, Afd. rechtspraak;
             Gezien de Wet Arob en de Wet RvS;
             Recht doende:
             I. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van
             Financien van 17 juli 1981, Directoraat-Generaal der
             Belastingen, Directie Algemene Fiscale Zaken, Afd.
             Fiscaal Juridische Zaken, 581-11776;
             II. gelast dat het door appellante ten behoeve van de
             Staat gestorte recht wordt terugbetaald.

Noot       : Noot. Eerder heeft de Afd. rechtspraak in dezelfde zin
             beslist, dat de geheimhoudingsplicht van de
             belastingdienst (art. 67 Algemene wet inzake
             rijksbelastingen en m.m. art. 220 Algemene Wet inzake de
             douane en de accijnzen) niet van toepassing is tegenover
             de belastingplichtige zelf (zie Afd. rechtspraak 22 nov.
             1982, nr. A-10776 (1981), Gemeentestem 6743, m.nt. JMK.
             Aangezien het een verzoek om inlichtingen inzake een
             bestuurlijke aangelegenheid betreft, is de Wet
             openbaarheid van bestuur van toepassing. De Wet
             openbaarheid van bestuur bepaalt dat verzoeken om
             inlichtingen moeten worden ingewilligd tenzij aan de Wet
             openbaarheid van bestuur gronden voor weigering ontleend
             kunnen worden. Niet alle informatie uit het dossier van
             de appellant-belastingplichtige hoeft daarom zonder meer
             verstrekt te worden. Vgl. hierover Vz. Afd. rechtspraak
             RvS 31 mei 1985 en Afd. rechtspraak 8 aug. 1985,
             hieronder opgenomen onder resp. nr. 616 en 617.
             Hoewel de Afd. hier niet naar verwijst, gaat de
             uitspraak in de richting van art. 10 derde lid Gr.w.:
             "De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen
             op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van
             het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op
             verbetering van zodanige gegevens" (cursivering HJdH).
             Art. 10 derde lid Gr.w. beoogt geen individuele
             aanspraken te scheppen (vgl. ook G. Overkleeft-Verburg,
             Het recht op eerbiediging van de persoonlijke
             levenssfeer, in Grondrechten (Jeukens-bundel), Nijmegen
             1982, p. 221, met name p. 230). De uitleg die de Afd.
             geeft aan art. 67 Algemene wet inzake rijksbelastingen
             loopt hierop reeds vooruit, zij het dat de
             daaropvolgende toepassing van de Wet openbaarheid van
             bestuur uitzonderingen mogelijk maakt, waaraan bij de
             globale gedachtenvorming over een mogelijke uitwerking
             van art. 10 derde lid Gr.w. geen rekening was gehouden.
             Voor het doel dat de grondwetgever voor ogen stond,
             lijkt de Wet openbaarheid van bestuur meer
             uitzonderingen mogelijk te maken dan wenselijk is. Vgl.
             ook de uitwerking die in het Amerikaanse recht is
             gegeven aan ieder individu op inzage in documenten die
             gegevens over hem bevatten (5 USCA par. 552a (d)).
             HJdR

Vindplaats : VN 1984/2221  pt. 50
----------------------------------------------------------------------
Essentie   : Geheimhoudingsplicht fiscus
             Raad van State, Afdeling rechtspraak 16 januari 1984;
             met noot van J. F. M. Peeters. UTC 1984/5, blz. 208-213.

Tekst      : In geschil was of de Scientology kerk inzage mocht
             hebben in interne ambtsberichten die waren opgemaakt in
             verband met een aan haar opgelegde aanslag
             omzetbelasting. De minister weigerde op grond van
             artikel 67 AWR en achtte de Wet Openbaarheid van bestuur
             niet van toepassing. De Afdeling rechtspraak stelde de
             minister in het ongelijk. In de noot wordt opgemerkt dat
             de opvatting van de Afdeling rechtspraak nu wel
             duidelijk is: geheimhoudingsplicht geldt niet tegenover
             de belastingplichtige zelf. De verklaring voor de
             uitspraak moet worden gezocht in de strekking van de
             geheimhouding, en of men die nu zoekt in de
             privacybescherming, in het bevorderen van het
             verstrekken van de juiste gegevens of het voorkomen van
             nadelen voor de belastingplichtige, de door de minister
             bepleite uitleg valt daar niet mee te rijmen.