Redacteur: laatste wijziging 5 juli 1996.
Kort Geding Amsterdam, 6 november 1980
Vindplaats : NJ 1981/502
----------------------------------------------------------------------
Instantie : ARR.-RECHTBANK AMSTERDAM
(Kort geding)
6 november 1980.
(Mr Borgerhoff Mulder).
Regeling : (BW art. 1401)
Essentie : Verbod tv-uitzending over de "scientology kerk"
geweigerd.
1. De door de VARA heimelijk - maar in opdracht van een
der deelnemers aan het gesprek en bovendien niet in een
woning noch in een niet voor het publiek toegankelijke
gelegenheid - gemaakte beeld- en geluidsbanden leveren
geen overtreding van strafrechtelijke bepalingen op, nu
evenmin is gebleken dat de opnamen met een in de
betrokken ruimte enigszins permanent aangebrachte
installatie zijn gemaakt.
2. Hoewel de door de VARA gebezigde methoden de grens
van het toelaatbare tamelijk snel kunnen bereiken, kan
thans nog niet van een onrechtmatig handelen worden
gesproken. De uitzending had duidelijk een uitsluitend
informatief en waarschuwend karakter, waarvan de
publikatie het algemeen belang dient.
Voorzover deze uitzending bedreigingen en molestaties
voor de Scientology kerk ten gevolge hebben gehad, waren
deze niet een redelijkerwijs te verwachten consequentie
daarvan.
Tekst : Het Kerkgenootschap Scientology Kerk Amsterdam, te
Amsterdam, eiseres proc. Mr M. D. van Aller,
tegen
de Omroepvereniging VARA, Hilversum, gedaagde, proc. Mr
R. H. L. Post.
O. ten aanzien van het recht:
Het navolgende is komen vast te staan.
In haar televisieprogramma "De Ombudsman" van 23 okt.
1980 heeft de VARA aandacht besteed aan de wijze waarop
SK gegadigden tracht te interesseren voor de
psychotherapeutische methode waarop zij als kerk mensen,
die na een onderzoek harerzijds in geestelijke nood
blijken te verkeren, hulp wil bieden om deze nood te
boven te komen.
Aanleiding tot het vervaardigen van een dergelijk
programma is geweest de twijfel welke o.m. blijkens een
overgelegd artikel van de Haagse Post en een uitgave van
Gerrit Komrij ook elders gekoesterd wordt met betrekking
tot de integriteit van SK bij de uitvoering van
vorenbedoelde hulp.
De exorbitant hoge rekeningen waarmee zij die zich door
SK laten behandelen worden geconfronteerd en de wijze
waarop druk op die patienten wordt uitgeoefend om deze
rekeningen te voldoen, heeft de VARA er toe gebracht
hiernaar een onderzoek in te stellen.
Aangezien informatie langs de gebruikelijke weg
praktisch niet te verkrijgen viel, heeft de VARA van
harentwege iemand de rol van belangstellende met
betrekking tot SK laten spelen en hem de nodige
ontmoetingen met vertegenwoordigers van SK laten
arrangeren, welke ontmoetingen - waarbij informatie over
SK werd gevraagd en verkregen - in beeld- en
geluidsopnamen zijn vastgelegd. Dit materiaal is
gelardeerd met verklarende en commentarierende tekst van
de Ombudsman, op 23 okt. 1980 door de VARA in haar
televisieprogramma "De Ombudsman" uitgezonden, van welke
uitzending de volledige tekst in deze procedure is
overgelegd (en via een video-apparaat tijdens de zitting
geheel is herhaald. Red.).
Stellende dat nu naar aanleiding van de gewraakte
uitzending d.d. 23 okt. 1980, waarbij de VARA
vorenbedoeld heimelijk vervaardigd materiaal bezigde,
zij - SK - kort daarop ernstig bedreigd werd door derden
en ook meer in het algemeen schade ondervindt, vordert
SK dat Wij in verband met het voornemen van de VARA
(gelijk door deze erkend) om op 6 nov. 1980 wederom een
dergelijke uitzending te doen plaats vinden, de VARA -
die immers door op te treden als vorenbedoeld -
onrechtmatig jegens SK handelt, zullen verbieden om
verder van aldus heimelijk vervaardigde geluids- en
beeldbanden met betrekking tot SK gebruik te maken, een
en ander als nader omschreven in het petitum der
dagvaarding.
Ter verdere adstructie van haar vordering voert SK nog
aan dat de VARA onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld
doordat het betreffende beeld- en geluidsmateriaal
heimelijk is vervaardigd, dat wil zeggen zonder
toestemming van SK of haar medewerkers, die op dat
materiaal te zien c.q. te horen zijn.
Voorzover SK daarbij het oog heeft op de volgende
bepalingen die in het Wetboek van Strafrecht zijn
opgenomen ter bescherming van de persoonlijke
levenssfeer, gaat haar betoog niet op.
Art. 139a Sr (betreffende het opzettelijk met een
technisch hulpmiddel afluisteren en opnemen van
gesprekken) is namelijk niet van toepassing in dit
geval, omdat uit de tekst van die strafbepaling volgt,
dat niet strafbaar is degene, die het gesprek in
opdracht van een deelnemer aan dat gesprek afluistert of
opneemt. SK heeft niet tegengesproken, dat bedoelde
uitzonderingssituatie zich hier voordoet, nu immers de
VARA-deelnemers aan de bewuste gesprekken een opdracht
als hier bedoeld hebben weergegeven.
Ook art. 139f Sr (betreffende het gebruik van een
verborgen camera) is i.c. niet van toepassing, omdat
deze strafbepaling - voorzover hier van belang -
uitsluitend het maken van afbeeldingen in een woning of
een niet voor het publiek toegankelijke gelegenheid
("lokaal") strafbaar stelt. Vaststaat dat de VARA niet
in een dergelijke gelegenheid of in een woning heeft
gefilmd.
Hetzelfde geldt voor art. 441b Sr (betreffende het
gebruik van een verborgen camera in een voor het publiek
toegankelijke besloten ruimte), waarin spijzen, dranken
of andere waren aan particulieren worden geleverd, zoals
bijv. de gelegenheid waar het gesprek met de
Scientology-medewerkers Van Seters en O'Connor is
gefilmd.
Uit de wetsgeschiedenis valt namelijk af te leiden, dat
het apparaat waarmee de betreffende opnamen zijn gemaakt
een in die besloten ruimte aangebracht apparaat moet
zijn, hetgeen een enigszins permanente installatie
veronderstelt, waaromtrent echter i.c. niets is gesteld
of gebleken.
Voorts voert SK nog aan dat de VARA door op de
heimelijke wijze als vorenoverwogen haar litigieuze
opnamen te vervaardigen, in elk geval toch de algemene
zorgvuldigheidsnorm van art. 1401 BW heeft overschreden.
Hoewel - gelijk de VARA blijkens de uitlating terzake
van haar raadsman dat "zijn cliente in deze tot het
uiterste is gegaan" ook onderkent - voormelde methoden
als door de VARA gebezigd de grens van het toelaatbare
tamelijk snel kunnen doen bereiken door degene die deze
methoden toepast, zijn Wij van oordeel dat in het
onderhavige geval daarvan nog niet kan worden gesproken,
gelet op hetgeen uit de ter terechtzitting met name ook
door de per video herhaalde uitzending van 23 okt. 1980,
naar voren is gekomen.
Immers de bewuste opnamen zijn gemaakt van besprekingen
met een zakelijk-informatief karakter terwijl voorts
niet is gesteld of gebleken dat de SK-medewerkers
tijdens het maken van de opnamen mededelingen hebben
verstrekt, ten aanzien waarvan het hun kennelijke
bedoeling was dat hieraan geen algemene ruchtbaarheid
zou worden gegeven.
Anders dan SK in dit verband ook nog aanvoert, heeft de
uitzending cfm de opzet van het programma van "De
Ombudsman" duidelijk een uitsluitend informatief en
waarschuwend karakter, waarbij feiten naar voren komen
waarvan SK in zijn algemeenheid de juistheid niet
betwist en waarvan voorts de publikatie Ons inziens het
algemeen belang dient. De bedreigingen en molestaties
waarvan volgens SK kort na de uitzending van 23 okt.
1980 ten aanzien van haar sprake zou zijn geweest,
kunnen dan ook niet worden beschouwd als een
redelijkerwijs te verwachten consequentie van bedoelde
uitzending.
De voorts nog als beslist onjuist betitelde
veronderstelling, welke in de gewraakte uitzending werd
geuit, dat SK namelijk haar belastingverplichtingen niet
zou nakomen, levert tenslotte op zichzelf genomen echter
onvoldoende grond op voor de gevraagde voorziening, mede
in aanmerking genomen dat deze veronderstelling in het
licht van de overigens niet betwiste feiten, op het
eerste gezicht zeker niet als zonder meer ongerijmd
beschouwd kan worden.
(Eiser wordt in de proceskosten veroordeeld ad f 21500.
Red.)