Redacteur: laatste wijziging 5 juli 1996.

Hof van Justitie EG, 4 december 1974

Vindplaats : NJ 1975/204
----------------------------------------------------------------------
Instantie  : HOF VAN JUSTITIE E.G. 4 december 1974. Zaak 41.74. (Mrs.
             Lecourt, O Dalaigh, Mackenzie Stuart, Donner, Monaco,
             Mertens de Wilmars, Pescatore, Kutscher, Sorensen).

Regeling   : (EEG-Verdrag art. 48; Richtlijn no. 64/221 van de Raad
             art. 3)

Essentie   : Vrij verkeer van werknemers. Rechtstreekse
             toepasselijkheid van betreffende E.G.-bepalingen.
             Beperkende maatregelen van Lid-Staat uit hoofde van
             openbare orde gerechtvaardigd in verband met
             "persoonlijk gedrag" van betrokkene.
             1. Art. 48 EEG-Verdrag heeft rechtstreekse werking in de
             rechtsorden van de Lid-Staten en doet voor particulieren
             rechten ontstaan, welke de nationale rechter dient te
             handhaven.
             2. Art. 3, lid 1, richtlijn no. 64/221 van de Raad van
             25 febr. 1964 voor de coordinatie van de voor
             vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten
             aanzien van verplaatsing en verblijf, die
             gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de
             openbare veiligheid en de volksgezondheid, doet voor
             particulieren rechten ontstaan, welke zij in een
             Lid-Staat in rechte geldend kunnen maken en welke de
             nationale rechter dient te handhaven.
             3. Art. 48 EEG-Verdrag en art. 3, lid 1, richtlijn no.
             64/221 dienen aldus te worden verstaan dat een
             Lid-Staat, met een beroep op de beperkingen die door de
             openbare orde zijn gerechtvaardigd, als persoonlijk
             gedrag van de betrokkene in aanmerking mag nemen dat
             deze is aangesloten bij een groep of organisatie, wier
             activiteiten door de Lid-Staat als een gevaar voor de
             maatschappij worden beschouwd zonder evenwel te zijn
             verboden, en zulks zelfs wanneer geen beperkingen worden
             opgelegd aan onderdanen van die Staat, die bij diezelfde
             groepen of organisaties een soortgelijke
             dienstbetrekking wensen te aanvaarden als de onderdaan
             van een andere Lid-Staat.
             In gelijke zin de Advocaat-Generaal Mayras.

Tekst      : Verzoek aan het Hof krachtens art. 177 EEG-Verdrag van
             het High Court of Justice, Chancery Division in
             Engeland, in het aldaar aanhangige geding tussen Yvonne
             van Duyn en het Engelse Home Office om een prejudiciele
             beslissing inzake de uitlegging van art. 48 EEG-Verdrag
             en art. 3 richtlijn no. 64/221/EEG van de Raad van 25
             febr. 1964 voor de coordinatie van de voor vreemdelingen
             geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van
             verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit
             hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en
             de volksgezondheid (P.B. van 4 april 1964, blz. 850).
             De feiten.
             1. De "Church of Scientology" is een in de Verenigde
             Staten van Amerika gevestigde organisatie die in het
             Verenigd Koninkrijk werkzaam is via een "College" te
             East Grinstead, Sussex. De Britse regering acht de
             activiteiten van de "Church of Scientology" in strijd
             met de openbare orde. Op 25 juli 1968 verklaarde de
             Minister van Volksgezondheid in het Lagerhuis dat de
             regering overtuigd is van de sociale schadelijkheid van
             scientology. In de verklaring werd o.m. gezegd:
             "Scientologie is een pseudo-filosofische cultus ... Na
             bestudering van alle beschikbare gegevens is de regering
             tot de overtuiging gekomen dat de scientologie sociaal
             schadelijk is. Zij vervreemdt gezinsleden van elkaar en
             schrijft haar tegenstanders kwaadwillige en schandelijke
             beweegredenen toe; haar autoritaire beginselen en
             praktijken vormen een potentiele bedreiging voor de
             persoonlijkheid en het welzijn van haar misleide
             volgelingen; met name haar methoden kunnen een ernstig
             gevaar opleveren voor de gezondheid van degenen, die
             zich eraan onderwerpen. Er zijn aanwijzingen dat nu ook
             kinderen worden geindoctrineerd. Volgens de bestaande
             wetgeving kan de beoefening der scientologie niet worden
             verboden, maar de regering heeft de scientologie zo
             verwerpelijk bevonden, dat al het mogelijke moet worden
             gedaan om de groei ervan te verhinderen ...
             Buitenlanders komen hier de scientologie bestuderen en
             aan het zgn. College te East Grinstead werken. De
             regering kan dit volgens de bestaande wetgeving
             tegengaan ... en heeft besloten dat te doen. De volgende
             maatregelen worden onmiddellijk van kracht ...
             ...
             e. Voor arbeid bij een scientologische instelling ...
             worden aan vreemdelingen geen arbeidsvergunningen
             afgegeven".
             Er bestaan geen wettelijke beperkingen voor de
             uitoefening der scientologie in het Verenigd Koninkrijk
             noch voor Britse onderdanen (behoudens enkele
             onbelangrijke uitzonderingen) die zich willen aansluiten
             of willen werken bij de Church of Scientology.
             2. Mejuffrouw van Duyn is Nederlands onderdaan. Bij
             brief van 4 mei 1973 werd haar een betrekking als
             secretaresse bij de Church of Scientology aan het
             College te East Grinstead aangeboden. Voornemens die
             betrekking te aanvaarden, arriveerde zij op 9 mei 1973
             op Gatwick Airport, waar haar na ondervraging door de
             immigratieambtenaar de toegang tot het Verenigd
             Koninkrijk werd geweigerd. Tijdens de ondervraging bleek
             dat zij gedurende zes maanden bij een scientologische
             instelling in Amsterdam had gewerkt, een cursus in de
             scientologie had gevolgd, praktizerend scientologe was
             en bij een scientologische instelling in het Verenigd
             Koninkrijk dacht te gaan werken.
             De grond waarop Mejuffrouw van Duyn de toegang tot het
             Verenigd Koninkrijk werd geweigerd, is vermeld in het
             document "Refusal of Leave to Enter" dat haar door de
             immigratieambtenaar werd ter hand gesteld, en luidt:
             "Naar aanleiding van Uw verzoek om toelating tot het
             Verenigd Koninkrijk teneinde een functie te aanvaarden
             bij de Church of Scientology wordt U medegedeeld dat de
             Secretary of State het ongewenst acht die toestemming te
             verlenen aan iemand die voor deze organisatie werkt of
             daarbij in dienst is."
             Ingevolge sectie 4 (1) van de Immigration Act 1971
             berust de bevoegdheid om de toegang tot het Verenigd
             Koninkrijk te weigeren bij de immigratieambtenaren. De
             toegang werd door de immigratieambtenaar geweigerd
             overeenkomstig het regeringsbeleid en krachtens rule 65
             van de toepasselijke Immigration Rules for Control of
             Entry, die kracht van wet hebben. Rule 65 luidt:
             "Iedere passagier, behalve de echtgenote of een kind
             beneden 18 jaar van een in het Verenigd Koninkrijk
             gevestigde persoon, kan toegang worden geweigerd op
             grond dat die uitsluiting in het algemeen belang is,
             wanneer:
             a. de Secretary of State persoonlijk aldus heeft beslist
             of
             b. volgens inlichtingen waarover de immigratieambtenaar
             beschikt, een weigering op die grond terecht lijkt,
             bijv. indien vanwege het karakter, het gedrag of de
             relaties van de passagier het verlenen van toegang
             ongewenst is."
             3. Mejuffrouw van Duyn stelt met een beroep op de
             gemeenschapsregels inzake het vrije verkeer van
             werknemers, met name art. 48 EEG-Verdrag, verordening
             1612/68 en art. 3 richtlijn 64/221*, dat de weigering
             van toegang onwettig is en verzoekt het High Court te
             verklaren dat zij gerechtigd is i.v.m. tewerkstelling in
             het Verenigd Koninkrijk te verblijven en aldaar toegang
             te krijgen.
             Alvorens nader te beslissen, heeft het High Court
             besloten het geding te schorsen en het Hof van Justitie
             krachtens art. 177 EEG-Verdrag te verzoeken om een
             prejudiciele uitspraak over de volgende vraagpunten:
             1. Is art. 48 EEG-Verdrag rechtstreeks toepasselijk in
             die zin, dat het voor particulieren rechten doet
             ontstaan, welke zij in een Lid-Staat in rechte geldend
             kunnen maken?
             2. Is de op 25 febr. 1964 overeenkomstig het EEG-Verdrag
             vastgestelde richtlijn no. 64/221 rechtstreeks
             toepasselijk in die zin, dat zij voor particulieren
             rechten doet ontstaan, welke zij in een Lid-Staat in
             rechte geldend kunnen maken?
             3. Dienen art. 48 EEG-Verdrag en art. 3 richtlijn no.
             64/221/EEG aldus te worden verstaan dat een Lid-Staat
             bij het nakomen van zijn verplichting om de maatregel
             van openbare orde uitsluitend te doen berusten op het
             persoonlijke gedrag van de betrokken persoon, is
             gerechtigd als persoonlijk gedrag in aanmerking te
             nemen:
             a. het feit dat de betrokken persoon is of was
             aangesloten bij een groep of organisatie, wier
             activiteiten door de Lid-Staat strijdig worden geacht
             met het openbaar belang, maar in die Staat niet onwettig
             zijn;
             b. het feit dat de betrokken persoon voornemens is in
             die Lid-Staat een dienstbetrekking bij een dergelijke
             groep of organisatie te aanvaarden, terwijl aan de
             onderdanen van die Lid-Staat, die bij een dergelijke
             groep of organisatie een soortgelijke dienstbetrekking
             wensen te aanvaarden, geen beperkingen in de weg worden
             gelegd?
             Ten aanzien van het recht:
             O. dat de Chancery Division van het Engelse High Court
             of Justice, bij beschikking van de Vice Chancelor van 1
             maart 1974, ten Hove ingekomen op 13 juni, krachtens
             art. 177 EEG-Verdrag drie vragen heeft gesteld met
             betrekking tot de uitlegging van een aantal bepalingen
             van het gemeenschapsrecht inzake het vrije verkeer van
             werknemers;
             dat deze vragen zijn gesteld in het kader van een
             beroep, ingesteld tegen het Home Office door een
             Nederlandse onderdane die geen toestemming kreeg het
             Verenigd Koninkrijk binnen te komen ten einde aldaar als
             secretaresse bij de "Church of Scientology" werkzaam te
             zijn;
             dat haar de toegang werd geweigerd overeenkomstig het
             beleid van de regering van het Verenigd Koninkrijk
             jegens genoemde organisatie, wier activiteiten door deze
             als een gevaar voor de maatschappij worden beschouwd.
             Ten aanzien van de eerste vraag:
             O. dat het Hof in de eerste plaats wordt gevraagd of
             art. 48 EEG-Verdrag rechtstreeks toepasselijk is in die
             zin dat het voor particulieren rechten doet ontstaan,
             welke zij in een Lid-Staat in rechte geldend kunnen
             maken;
             O. dat art. 48, leden 1 en 2, bepaalt dat het vrije
             verkeer van werknemers aan het einde van de
             overgangsperiode tot stand wordt gebracht en "de
             afschaffing" inhoudt "van elke discriminatie op grond
             van de nationaliteit tussen de werknemers der
             Lid-Staten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning
             en de overige arbeidsvoorwaarden";
             dat deze bepalingen de Lid-Staten een duidelijk
             omschreven verplichting opleggen waartoe generlei
             handeling van hetzij de gemeenschapsinstellingen hetzij
             de Lid-Staten nodig is en die laatstgenoemde bij de
             uitvoering dier verplichting geen enkele
             beoordelingsbevoegdheid laat;
             dat lid 3 bij de omschrijving van de rechten die het
             beginsel van het vrije verkeer van werknemers meebrengt,
             een voorbehoud maakt inzake de beperkingen die om
             redenen van openbare orde, openbare veiligheid en
             volksgezondheid zijn gerechtvaardigd;
             dat de toepassing van dit voorbehoud evenwel vatbaar is
             voor rechterlijke toetsing, zodat de mogelijkheid voor
             een Lid-Staat om het voorbehoud in te roepen niet
             verhindert dat art. 48, waarin het beginsel van het
             vrije verkeer van werknemers is neergelegd, voor
             particulieren rechten doet ontstaan, welke zij in rechte
             geldend kunnen maken en welke de nationale rechter dient
             te handhaven;
             dat de eerste vraag derhalve bevestigend dient te worden
             beantwoord.
             Ten aanzien van de tweede vraag:
             O. dat het Hof in de tweede plaats wordt gevraagd of
             richtlijn no. 64/221 van de Raad van 25 febr. 1964 voor
             de coordinatie van de voor vreemdelingen geldende
             bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en
             verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de
             openbare orde, de openbare veiligheid en de
             volksgezondheid, rechtstreeks toepasselijk is in die
             zin, dat zij voor particulieren rechten doet ontstaan,
             welke zij in een Lid-Staat in rechte geldend kunnen
             maken;
             dat uit de verwijzingsbeschikking volgt dat het van de
             bepalingen der richtlijn hier alleen gaat om art. 3, lid
             1, dat voorschrijft dat "de maatregelen van openbare
             orde of openbare veiligheid uitsluitend moeten berusten
             op het persoonlijk gedrag van de betrokkene";
             O. dat het Verenigd Koninkrijk heeft opgemerkt dat art.
             189 Verdrag onderscheid maakt tussen de werking van
             verordeningen, richtlijnen en beschikkingen en dat
             bijgevolg moet worden aangenomen dat de Raad, door geen
             verordening maar een richtlijn vast te stellen, heeft
             gewild dat de richtlijn anders zou werken dan een
             verordening en dus niet rechtstreeks toepasselijk zou
             zijn;
             O. evenwel, dat wanneer krachtens de voorschriften van
             art. 189 verordeningen rechtstreeks toepasselijk zijn en
             mitsdien naar hun aard tot directe gevolgen kunnen
             leiden, zulks niet wil zeggen dat andere groepen
             handelingen als in dit artikel bedoeld nimmer analoge
             gevolgen teweeg kunnen brengen;
             dat het met de dwingende werking, die in art. 189 aan de
             richtlijn wordt toegekend, onverenigbaar ware indien men
             in beginsel zou uitsluiten dat een daarbij opgelegde
             verplichting kan worden ingeroepen door personen op wie
             zij betrekking heeft;
             dat met name in gevallen waarin de gezagsorganen van de
             Gemeenschap de Lid-Staten bij richtlijn hebben verplicht
             een bepaalde gedragslijn te volgen, het nuttig effect
             van zodanige handeling zou worden verzwakt wanneer de
             justitiabelen zich daarop in rechte niet zouden mogen
             beroepen en de nationale rechterlijke instanties daarop
             niet als element van het gemeenschapsrecht acht zouden
             mogen slaan;
             dat art. 177, waarin aan de nationale rechterlijke
             instanties wordt toegestaan zich tot het Hof te wenden
             inzake de geldigheid en de uitlegging van alle
             handelingen der instellingen, zonder onderscheid, voorts
             impliceert dat die handelingen door justitiabelen bij
             genoemde rechterlijke instanties mogen worden
             ingeroepen;
             dat in ieder afzonderlijk geval moet worden onderzocht,
             of aard, opzet en bewoordingen van het betrokken
             voorschrift medebrengen dat het in de rechtsbetrekkingen
             tussen de Lid-Staten en particulieren tot directe
             gevolgen kan leiden;
             O. dat art. 3, lid 1, richtlijn no. 64/221, door het
             voorschrift dat de maatregelen van openbare orde
             uitsluitend moeten berusten op het persoonlijk gedrag
             van de betrokkene, strekt tot beperking van de
             discretionaire bevoegdheid welke de nationale
             wetgevingen in het algemeen toekennen aan de ter zake
             van toelating en uitzetting van vreemdelingen bevoegde
             autoriteiten;
             dat enerzijds de bepaling een verplichting bevat,
             waaraan geen enkel voorbehoud of voorwaarde is verbonden
             en die naar haar aard geen enkele nadere handeling nodig
             maakt van hetzij de gemeenschapsinstellingen, hetzij de
             Lid-Staten;
             dat anderzijds, daar het om een verplichting voor de
             Lid-Staten gaat om, bij de toepassing van een
             uitzonderingsbepaling op een der grondbeginselen van het
             Verdrag ten gunste van particulieren, geen rekening te
             houden met factoren buiten het persoonlijk gedrag, de
             rechtszekerheid van de belanghebbenden verlangt dat zij
             die verplichting kunnen inroepen, ook al is deze vervat
             in een normatieve handeling die niet van rechtswege in
             haar geheel rechtstreeks werkt;
             dat, wanneer over de uitlegging van de zin en juiste
             strekking van de bepaling vragen kunnen rijzen, deze
             langs gerechtelijke weg kunnen worden opgelost, mede
             gelet op de procedure van art. 177 Verdrag;
             dat derhalve de gestelde vraag aldus moet worden
             beantwoord dat art. 3, lid 1, richtlijn no. 64/221 van
             de Raad van 25 febr. 1964 voor particulieren rechten
             doet ontstaan, welke zij in een Lid-Staat in rechte
             geldend kunnen maken en welke de nationale rechter dient
             te handhaven.
             Ten aanzien van de derde vraag:
             O. dat het Hof in de derde plaats wordt gevraagd of art.
             48 Verdrag en art. 3 richtlijn no. 64/221 aldus dienen
             te worden verstaan dat
             "een Lid-Staat bij het nakomen van zijn verplichting om
             de maatregel van openbare orde uitsluitend te doen
             berusten op het persoonlijk gedrag van de betrokken
             persoon, is gerechtigd als persoonlijk gedrag in
             aanmerking te nemen:
             a. het feit dat de betrokken persoon is of was
             aangesloten bij een groep of organisatie, wier
             activiteiten door de Lid-Staat strijdig worden geacht
             met het openbaar belang, maar in die Staat niet onwettig
             zijn,
             b. het feit dat de betrokken persoon voornemens is in
             die Lid-Staat een dienstbetrekking bij een dergelijke
             groep of organisatie te aanvaarden, terwijl aan de
             onderdanen van die Lid-Staat, die bij een dergelijke
             groep of organisatie een soortgelijke dienstbetrekking
             wensen te aanvaarden, geen beperkingen in de weg worden
             gelegd.";
             O. dat ten deze allereerst dient te worden onderzocht of
             aansluiting bij een groep of organisatie op zichzelf
             persoonlijk gedrag kan opleveren in de zin van art. 3
             richtlijn no. 64/221;
             dat, al vermag een aansluiting die in het verleden is
             geeindigd in het algemeen niet rechtvaardigen dat het
             recht op vrij verkeer binnen de Gemeenschap aan de
             belanghebbende wordt ontzegd, niettemin een
             tegenwoordige aansluiting, als blijk van deelneming aan
             de activiteiten van de groep of organisatie alsmede van
             identificering met haar doel en strekking, kan worden
             beschouwd als een vrijwillige handeling van de
             betrokkene en bijgevolg als onderdeel van diens
             persoonlijk gedrag in de zin van genoemde bepaling;
             O. dat de gestelde vraag voorts het probleem doet rijzen
             welk belang moet worden toegekend aan het feit dat de
             activiteiten van de betrokken organisatie, die door de
             Lid-Staat strijdig worden geacht met het openbaar
             belang, door de nationale wet toch niet zijn verboden;
             dat ten deze zij opgemerkt dat het begrip openbare orde
             in communautair verband en met name als rechtvaardiging
             van een uitzondering op het grondbeginsel van het vrije
             verkeer van werknemers, strikt moet worden opgevat,
             zodat de strekking ervan niet eenzijdig door elk der
             Lid-Staten zonder controle van de
             gemeenschapsinstellingen kan worden bepaald;
             dat niettemin de specifieke omstandigheden die een
             beroep op het begrip openbare orde zouden kunnen
             rechtvaardigen, naar land en tijd kunnen verschillen en
             dat mitsdien ten deze aan de bevoegde nationale
             autoriteiten een beoordelingsmarge, binnen de door het
             Verdrag gestelde grenzen, moet worden toegekend;
             dat hieruit volgt dat van een Lid-Staat, welks bevoegde
             autoriteiten een duidelijk standpunt hebben ingenomen
             ten opzichte van de activiteiten van een bepaalde
             organisatie door deze als een gevaar voor de
             maatschappij aan te merken, en die bestuurlijke
             maatregelen hebben getroffen om die activiteiten tegen
             te gaan, voor een beroep op het begrip openbare orde
             niet kan worden verlangd die activiteiten bij de wet te
             doen verbieden, indien zulks onder de gegeven
             omstandigheden niet dienstig wordt geacht;
             O. dat de gestelde vraag tenslotte het probleem doet
             rijzen of een Lid-Staat om redenen van openbare orde
             gerechtigd is zich ertegen te verzetten dat een
             onderdaan van een andere Lid-Staat op zijn grondgebied
             een dienstbetrekking aanvaardt bij een groep of
             organisatie, terwijl aan zijn eigen onderdanen geen
             analoge beperkingen in de weg worden gelegd;
             O. dat ten deze het Verdrag, ook al bevat dit het
             beginsel van het vrije verkeer van werknemers zonder
             discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten, in
             art. 48, lid 3, bij de daaruit voortvloeiende rechten
             een voorbehoud maakt voor beperkingen die zijn
             gerechtvaardigd uit hoofde van openbare orde, openbare
             veiligheid en volksgezondheid;
             dat, onder dit voorbehoud, de rechten krachtens genoemde
             bepaling o.m. omvatten het recht om in te gaan op een
             feitelijk aanbod van tewerkstelling, zich te dien einde
             vrij te verplaatsen over het grondgebied der Lid-Staten
             en in een der Lid-Staten te verblijven teneinde daar een
             beroep uit te oefenen;
             dat het genoemde voorbehoud, indien van toepassing,
             derhalve tot gevolg heeft dat de toegang tot het
             grondgebied van een Lid-Staat en het verblijf aldaar
             kunnen worden geweigerd aan een onderdaan van een andere
             Lid-Staat;
             dat anderzijds een beginsel van internationaal recht dat
             het EEG-Verdrag niet geacht kan worden in de
             betrekkingen tussen de Lid-Staten te miskennen, zich
             ertegen verzet dat een Lid-Staat zijn eigen onderdanen
             het recht van toegang tot zijn grondgebied en verblijf
             aldaar ontzegt;
             dat hieruit volgt dat een Lid-Staat om redenen van
             openbare orde in voorkomend geval een onderdaan van een
             andere Lid-Staat kan verhinderen gebruik te maken van
             het beginsel van het vrije verkeer van werknemers om een
             bepaalde dienstbetrekking te aanvaarden, ook al legt zij
             haar eigen onderdanen geen analoge beperking op;
             dat mitsdien op de gestelde vraag moet worden geantwoord
             dat art. 48 EEG-Verdrag en art. 3, lid 1, richtlijn no.
             64/221 aldus dienen te worden verstaan dat een
             Lid-Staat, met een beroep op de beperkingen die door de
             openbare orde zijn gerechtvaardigd, als persoonlijk
             gedrag van de betrokkene in aanmerking mag nemen dat
             deze is aangesloten bij een groep of organisatie, wier
             activiteiten door de Lid-Staat als een gevaar voor de
             maatschappij worden beschouwd zonder evenwel te zijn
             verboden, en zulks zelfs wanneer geen beperkingen worden
             opgelegd aan onderdanen van die Staat, die bij diezelfde
             groepen of organisaties een soortgelijke
             dienstbetrekking wensen te aanvaarden als de onderdaan
             van een andere Lid-Staat;
             (voor het dictum, zie hierboven de samenvatting).
             * Art. 3, lid 1, richtlijn luidt: "De maatregelen van
             openbare orde of openbare veiligheid moeten uitsluitend
             berusten op het persoonlijk gedrag van de betrokkene."