Stroomstoring

[ Terug naar pagina Verhalen ]

"Lieve John, Ik had me onze verjaardag samen heel anders voorgesteld!
Hier sta ik nu, maar zonder jou. Ik hoop dat je nog komt.
Het is nu 12 uur, ik ben hier over een uur terug.

13 uur
Nog steeds ben je er niet. Volgens de meneer van de NS kan de storing nog wel even duren. Nog maar een kopje koffie dan.
Ben om 14 uur terug.

14 uur
Ben je nog onderweg naar hier, of al terug naar huis? Het laatste kan ik niet geloven, ik blijf op je wachten.

15 uur
De meneer van de NS zegt dat de situatie hopeloos is. Ik ga nu maar naar huis (niet huilen). Je weet dat je welkom bent.

Liefs,
B."

 

De tekst op de tegels van perron 1 van Den Haag CS was duidelijk genoeg: ik had onze afspraak gemist! Een kwartier geleden was ze kennelijk nog hier, maar nu, om me heen kijkend, was deze tekst het enige dat verraadde dat ze hier was geweest.
Ik zakte op m'n knieën en zag dat het laatste wat ze geschreven had, het puntje achter haar voorletter, de vorm had van een hartje.

"Ben jij John?"
De stem klonk alsof degene die me aansprak me al jaren kende, maar de vraag was het bewijs dat dit niet zo was. Ik draaide me om en keek in de lens van een fotocamera. Nog voordat ik m'n ogen kon sluiten werd ik verblind door het flitslicht.
"Ze is net weg, ik vond het wel de moeite waard om even te wachten. Ik ben Jochem."
Enigszins aarzelend drukte ik zijn uitgestoken hand.
"Ik ben inderdaad John", zei ik. Vragen hoe hij mijn naam had geraden was zinloos. "Heeft ze je gevraagd op me te wachten?"
"Niet direct. Ze vroeg me om, als ik je zag, door te geven dat ze de trein naar Amsterdam had genomen. Ik heb wat foto's van haar en van haar 'brief' genomen. Nu ik jou er ook op heb staan is m'n plaatje compleet."
Hij legde zijn hand op m'n schouder.
"Neem een kaartje naar Amsterdam. Ze is het waard."
En voordat ik hem alle vragen kon stellen die op m'n lippen lagen was hij door de schuifdeuren uit de stationshal verdwenen.

 

Op het moment dat we ontdekten dat we op dezelfde dag jarig waren hadden we afgesproken dat we die dag samen door zouden brengen. De keuze was gevallen op Den Haag en Scheveningen.
De reis van Nijmegen naar Den Haag, die volgens de dienstregeling een dikke anderhalf uur duurde, had me vandaag meer dan vijf en een half uur gekost. Vlak voordat we Utrecht CS binnenreden minderde de trein plotseling vaart, om uiteindelijk tot stilstand te komen. Na een minuut of vijf keek ik een beetje ongerust op mijn horloge en hoopte dat ik de aansluiting niet zou missen. Toen even later de stem van de conducteur door de coupé klonk bleek mijn ongerustheid in elk geval onnodig: niet alleen onze trein stond stil, alle treinen rond Utrecht waren getroffen door een stroomstoring.
Lopend langs de rails zag ik beelden uit oude westerns aan mijn netvlies voorbijtrekken, maar ik miste de vrijheid en romantiek die voor mijn gevoel bij deze beelden hoorden. Het enige waar ik aan dacht was dat B., die vanuit Amsterdam naar Den Haag was gereisd, wél op de afgesproken tijd op de afgesproken plaats zou zijn, en of en hoe ik haar daar zou kunnen bereiken.
Er leek niets anders op te zitten dan te wachten tot ofwel de treinen weer zouden rijden ofwel er alternatief vervoer zou zijn. Niet alleen de spoorwegen, heel Utrecht zat zonder electriciteit. Spoorbomen waren automatisch dicht gegaan, terwijl er geen rijdende trein te bekennen was ("Wacht tot het rode licht gedoofd is, er kan nog een trein komen"), en trams stonden midden op kruisingen stil. Het alternatieve vervoer, in de vorm van bussen, had daardoor moeite om de achterkant van het station te bereiken, maar uiteindelijk werd het wachten beloond. Vanaf Gouda, zo werd ons beloofd, zouden we onze reis op normale wijze kunnen voortzetten. Nou ja, bijna normaal. Telkens als de trein, zonder dat er een station in de buurt was, vaart minderde, sloeg mijn hart een paar slagen extra en haalde ik pas weer adem als we op snelheid waren.

 

Veel reizigers op perron 1 van Den Haag CS bleven even staan bij de tekst op de vloer. Ze hervatten hun tocht richting trein zodra ze hem gelezen hadden, de krijtsporen op de tegels vermijdend om ze niet te wissen. Zelfs een personeelslid van de NS, dat het perron met een ouderwetse bezem veegde, bewoog zijn bezem met voorzichtige bewegingen om de letters heen.
Iedereen voelde dat ik de enige was die het recht had om de woorden uit te vegen, en iedereen wist dat dat wel het laatste was dat ik wilde doen. Geknield bleef ik naar de tekst staren, terwijl ik met m'n wijsvinger de buitenkant van de lijnen volgde. Bij het afsluitende hartje bleef mijn vinger in het midden rusten.

Ik stond op en begon in de richting van de loketten te lopen, toen ik haar voor me zag staan.
"Hoi", zei ze. "Ik ben blij dat je er bent. Ik zat al in de trein, maar die vertrok niet. Stroomstoring!"

juni 1997