Baaldag

[ Terug naar pagina Verhalen ]

Ze keek nog even haar kamer rond, om te zien of ze niets vergeten was. Ze pakte haar autosleutels van het bijzettafeltje naast de deur en liep de trap af. De voordeur klemde een beetje, maar toen ze een ferme ruk gaf lag de wereld voor haar. Ze trok de voordeur achter zich dicht en zocht in haar tasje naar de sleutels. Met trillende hand probeerde ze de sleutel in het slot te steken. Haar hand trilde teveel om het gat te vinden.
Het was een treurige dag, de zon kwam twijfelend zo nu en dan even achter een wolk vandaan en tegelijkertijd vielen er een paar druppels. Op dit soort dagen was ze altijd blij dat ze haar eendje voor de deur had staan en niet, zoals haar vriendinnen, zich moest behelpen met een fiets. Ze had het mormel ooit bij een sloper gekocht en toen al had het er niet helemaal als een eendje uitgezien; vele onderdelen waren al eens vervangen door onderdelen uit andere merken auto's. Maar voor haar maakte dat niets uit, ze gebruikte haar wagentje toch niet als pronkstuk.
Ze liep naar haar auto en zag dat het schuifdak een klein stukje open was. Er lag een plasje water op de stoel van de bijrijder. Ze stapte in en haalde diep adem. Ze startte en reed een klein stukje achteruit. Daarna verliet ze de parkeerhaven.

De gebeurtenissen van de afgelopen dagen trokken als een stomme film aan haar netvlies voorbij, de bijbehorende woorden bonkten nog in haar hoofd. Het was begonnen toen ze dit weekend voor het eerst sinds tijden weer eens naar huis ging. In het begin liep alles prima. Haar moeder bedankte haar voor de mooie bloemen die ze had meegebracht, haar kleine zusje vroeg of ze een keertje mocht komen logeren. Ze vond alles goed, als ze maar niet kwam nu zij tentamens had. 's Avonds, nadat zij haar zusje naar bed had gebracht en haar een verhaaltje had voorgelezen, had ze met haar ouders een beetje zitten praten over de toekomst. Zij wist precies wat ze wilde, ook al wist ze dat haar ouders tegen haar plannen waren.
Ze was van plan om, zodra ze afgestudeerd was, een wereldreis te gaan maken. Daarvoor leefde ze nu al ontzettend zuinig en zette ze al haar geld op een spaarrekening. Haar ouders zouden liever zien dat ze een lieve man zocht en ging trouwen. Als ze daaraan dacht draaide haar maag zich om en moest ze zich inhouden om haar ouders niet ouderwets te noemen.
Ook die avond was het gesprek weer uitgekomen op haar toekomstplannen. Plotseling had haar vader gevraagd of ze Harry de Graaff kende. Ze had even in haar geheugen moeten zoeken, maar toen was duidelijk het beeld van een jongen voor haar ogen gekomen. Hij had, toen ze nog op de lagere school zat, een klas hoger gezeten. Deze Harry de Graaff was nu verhuisd en moest in dezelfde straat wonen als waar zij op kamers zat. Ze moest hem eens opzoeken, het was zo'n nette jongen.
Dit keer had ze zich niet kunnen inhouden, ze had gezegd dat haar ouders nog in het stenen tijdperk leefden, dat ze absoluut niet meer wisten hoe jongeren in deze tijd dachten en het ergste vond ze nog wel dat ze haar, hun bloedeigen dochter, hadden willen koppelen. Ze was woedend het huis uitgelopen en naar haar kamer gereden. Ze had sindsdien geprobeerd er niet meer aan te denken, maar dat was niet gelukt.

Die maandag had ze een mondeling tentamen gehad. Het was geen gemakkelijk vak geweest, en ze had behoorlijk hard moeten werken om op tijd klaar te zijn met leren. Daarna had ze nog wat opgaven geoefend en was ze zelf wel tevreden: ze kende het. Toen ze in de kille kamer van haar hoogleraar zat, was haar hoofd compleet leeg. Ze wist niets meer, zelfs het geruststellende kopje koffie dat de hoogleraar haar aanbood kon daar niets aan veranderen. Hij kon niet meer doen dan haar naar huis sturen. Ze baalde behoorlijk.
Toen ze op haar kamer kwam bleek haar hamster niet in z'n kooi te zitten. Ze keek nog eens goed achter het looprad, waar hij gewoonlijk lag te slapen. Hij was er niet. Ze was geschrokken toen ze merkte dat ze haar kamerdeur open had laten staan, en dat haar hamster dus overal in huis kon zijn. Niet lang daarna kwam de jongen die in de kamer onder haar woonde haar vertellen dat zijn kat die middag met haar hamster in zijn bek was thuisgekomen, en dat hij zou zorgen dat er een nieuwe kwam.
Toen was het haar allemaal teveel geworden. Ze was naar haar kamer gegaan, had geprobeerd zo weinig mogelijk naar de kooi te kijken, had wat spullen gepakt en was in haar auto gestapt.

Nu reed ze de stad uit, de vrijheid in. Ze sloeg een klein zandweggetje in. Ze ging hier zondags vaak wandelen, en wist dus alle paadjes. Ze stopte haar auto vlak voor de paal waarop een verroest bordje met "wandelpad" hing. Ze sloot haar auto af en liep het bos in. Op zondag liepen hier altijd veel mensen, nu was ze alleen. Ze kon dus doen wat ze wilde.
Ze liep naar de open plek waar ze vaak ging zitten luisteren naar de geluiden van de natuur. Maar nu ging ze niet zitten. Ze rechtte haar rug, haalde diep adem en schreeuwde uit alle macht. Na een halve minuut werd het weer stil in het bos. Ze kon er nu wel weer een tijdje tegen.

mei 1988