19981016

HelpDisk © *HD*

 

Over (para)medische onderwerpen

Bloedgroepen, Rhesusfactoren & Kinderwens

Inhoud:


[^]


Bloedgroepen, Rhesusfactoren en kinderen

[Q]uestion: Bij een bevriend echtpaar van ons is de vrouw rhesus negatief, haar man is positief.

Na haar laatste zwangerschap zijn er antistoffen gevonden. We hebben begrepen dat dit ernstige gevolgen kan hebben en zou dus consequenties kunnen hebben voor haar volgende zwangerschap. Is er iets tegen deze antistoffen te doen en kan zij tijdens een volgende zwangerschap behandeld worden.

[A]nswer: Nee & Ja (in die volgorde)

Laat me eerst even uitleggen hoe het zit.

Bloedgroepen

Ook vroeger werd, door de artsen destijds, al bedacht dat iemand die veel bloed verloor waarschijnlijk erg geholpen zou zijn met wat vers bloed van iemand anders. Maar al snel bleek dat de persoon in kwestie daar meestal in shock raakte en vaak aan dood ging. Natuurlijk zijn de artsen op onderzoek gegaan wat nou de reden zou kunnen zijn van zo'n plotselinge dood.
Dat er verschil kon bestaan tussen het ene bloed en het andere bloed (soms ging het immers wel goed) was de basis van onze huidige kennis. Aan het begin van deze eeuw zijn de bloedgroepen ontdekt (door Landsteiner in 1909) waarmee al veel verklaard werd.
Het leek hem dat er verschillende soorten bloed moesten bestaan omdat sommige mensen niet zomaar het bloed van een ander konden krijgen. Dat kon, zo redeneerde hij, alleen maar als je tot dezelfde groep behoorde. En dat klopt. Naar later bleek hebben namelijk sommige bloedgroepen antistoffen ontwikkeld tegen andere bloedgroepen.
We kunnen vier belangrijke bloedgroepen onderscheiden: A, B, AB, & O.

Antistoffen

Waar het dus bij bloedgroepen om draait, is dat er in het bloed-plasma van de ontvanger antistoffen zitten die de bloedcellen in het 'vreemde bloed' proberen aan te vallen (af te stoten) als het van een andere groep is. Een mens met bloedgroep A heeft antistoffen voor B-bloed, een mens met bloedgroep B heeft antistoffen voor A-bloed, en mens met AB heeft géén A- of B-antistoffen en O heeft zowel antistoffen voor A-bloed als antistoffen voor B-bloed.
Dat betekent dat je dus O-bloed kan geven aan mensen met bloedgroep A, B, & AB want daar hebben zij geen antistoffen tegen, dat je A-bloed kan geven aan mensen met bloedgroep A en AB, dat je B-bloed kan geven aan mensen met bloedgroep B en AB en dat je O-bloed dus alleen kan geven aan mensen met bloedgroep O want de antistoffen in hun lichaam zouden al het andere bloed proberen af te stoten.

Rhesusfactor

En dat bleek dan nog niet eens alles te zijn. Bij rhesusaapjes bleek dat er ook nog sprake was van een 'rhesusfactor'. 85% van de mensen bleek 'positief' of Rh+ en 15% bleek Rh- te zijn*)note.
Een Rhesus-negatief (Rh-) persoon heeft normaal geen antistoffen tegen Rh+ bloedlichaampjes in zijn bloed. Maar als hij/zij Rh+ bloedcellen in de bloedbaan krijgt dan begint zo'n persoon wèl antistoffen te maken tegen Rh+ bloedlichaampjes.


[^]


Zwangerschap bloedgroepen en risico's

Omdat de overerfelijkheid van Rh+ 'dominant' is zullen een Rh- moeder en een Rh+ vader vaak Rh+ kinderen krijgen. En alhoewel de circulatie van de moeder en die van het kind in principe gescheiden zijn gaan er toch wat kinderlijke bloedcelletjes naar de bloedbaan van de moeder (die dus antistoffen gaat produceren tegen het bloed van het kind in haar buik).
Omdat dit o.h.a. pas aan het einde van de zwangerschap begint te gebeuren valt dat meestal nogal mee bij een eerste kind. Maar de kans is natuurlijk groot dat een volgend kind ook weer Rh+ is en dat moeder dan al vanaf het begin antistoffen in haar bloed heeft tegen de rode bloedcelletjes van haar nog ongeboren kind. Deze antistoffen kunnen namelijk wel door de barrière van de placenta en zij hebben de neiging om de rode bloedcellen van het kind af te breken. En bij iedere volgende zwangerschap zal dat alleen maar sterker worden.
Daarom zal het bij een tweede kind vaak nodig zijn om, vaak binnen 24 uur na de geboorte, al het bloed te vervangen door donor-bloed (omdat daar niet die antistoffen van moeder in zitten). Dit heet een '
wisseltransfusie'. Een ander risico is dat het afvalproduct (bilirubine) van de (door de antistoffen) kapotgemaakte rode bloedlichaampjes zelfs het zenuwstelsel van het ongeboren vruchtje kan beschadigen (door ophoping in de extrapyramidale kernen). En er kunnen door het 'herhaalde blootstellen' (lees: meerdere zwangerschappen) zelfs zo veel antistoffen ontstaan dat zich geen levensvatbare Rh+ vrucht meer kan ontwikkelen.

Dat is niemands schuld, daar kan niemand iets aan doen.
Maar dat is dus wel iets om rekening mee te houden bij de familieplanning.


[^]


Behandelmogelijkheden

Nou kan er tegenwoordig bij een zwangere vrouw profylactisch 'antirhesusimmunoglobuline' worden gegeven zodat de Rh+ celletjes van de baby die in het bloed van de moeder komen gelijk worden afgebroken. De moeder vormt dan niet of minder antistoffen extra door die nieuwe zwangerschap en dus vindt dan die extra beschadiging van de kinderlijke bloedcelletjes niet of minder plaats.

Al-met-al dus wel een situatie om even goed met de arts te bepraten. En wel vóór dat je aan een volgend kind begint! Waarschijnlijk zal jouw arts eerst willen weten hoeveel antistoffen zich al hebben ontwikkeld en in hoeverre is het dus nog verantwoord om een volgend kind te willen krijgen.


[^]


Notes:

*)85% van de mensen bleek 'positief' of Rh+ en 15% bleek Rh- te zijn
Ook de rhesusfactor is overerfelijk (dus afhankelijk van het erfelijk materiaal van de ouders). De rhesusfactor is een zogenaamd recessief overerfelijke eigenschap. Zoals je misschien weet hebben wij al ons erferlijk materiaal dubbel in ons DNA en bij deze vorm van overerfelijkheid is het genoeg dat één van de twee ouders één gen heeft dat de eiegenschap draagt. Dat betekent dus dat de verdeling over de bevolking nogal scheef zal liggen en in Nederland zijn er dan ook 85% rhesuspositieve en maar 15% rhesusnegatieve mensen.
Binnen één gezin kan het dus voorkomen dat het ene kind Rh- is terwijl een ander kind van dezelfde ouders Rh+ is als één van de genen van één van de ouders een positieve gen is. En of iemand op één of op twee genen Rh+ is, dat is zonder extra onderzoek niet makkelijk te zeggen. Iemand met één postief gen is immers al Rh+. En dan weet je dus nog helemaal niet of iemand dat wel op allebei de kanten van zijn/haar erfelijk materiaal is. Zo is het zelfs mogelijk dat beide ouders op één gen mositief zijn en op het andere negatief en dat het kind dat geboren wordt een comibatie heeft van de twee negatieve genen, dus Rh- is terwijl beide ouders Rh+ zijn.
Als de ene ouder negatief is en de andere positief dan kan het dus zijn dat alle kinderen positief moeten zijn (als de positieve ouder op beide genen positief is).
Als de ene ouder op beide genen negatief en de andere ouder op één van de beide genen negatief en op de andere positief is, dan zullen de kinderen in een aantal gevallen positief en in een aantal gevallen negatief zijn.
Als beide ouders dus negatief zijn (dus op beide genen) dan is het niet mogelijk dat er een positief kind uit geboren kan worden (waar zou dat positieve gen immers vandaan moeten komen?).
...terug naar de tekst[^]

Auteur (Copyright): Hans R. J. West

Deze tekst kunt u nog eens rustig nalezen op de zelfhulp diskette "omgaan met ziekte of handicap"
De dingen die u hier leest zijn onderdeel van een groter geheel. U kunt deze hypertekst zelfhulp diskettes bestellen die vanaf uw eigen harddisk werken met uw eigen World-Wide-Web-browser.
Het geeft u de mogelijkheid om alles nog eens rustig te lezen en te herlezen.
Door hier te klikken gaat u naar het bestel formulier

[^]


This pages, and all contents, are Copyright © 1996-2000 by
HelpDisk.nl (New Media), Utrecht, Holland.
All rights reserved.

[wegwijzer] Wegwijzer op deze HelpDisk *HD*

HelpDisk.nl

[HelpDisk] Home-page van deze HelpDisk
[antwoorden] Inhoudelijke vragen


[ design by: H @ n s ]

inhoud: Hans R.J. West
layout: H@ns

design with Mac

Copyright & Disclaimer, 19981016