
De 95 Stellingen van Maarten Luther vormen een
hoogst belangrijk document in de kerkgeschiedenis, maar op 31 oktober 1517, de
dag, waarop hij ze bevestigde aan de deur van de slotkapel te Wittenberg,
verwachtte niemand, dat ze dat worden zouden, ook Maarten Luther niet. Hij had
als hoogleraar in de theologie zijn stellingen bedoeld - men kan het aan de
inleiding nog zien - als grondslag voor een wetenschappelijk debat. Zulke
openbare gesprekken waren naast het college-geven een gebruikelijke methode van
onderwijs. Met dat doel voor ogen hing prof. Luther zijn bekendmaking op aan de
deur van die kapel in de stad, waar de studenten gewoonlijk naar de kerk
gingen.
De stellingen en het academisch dispuut erover hadden een bijdrage moeten
leveren voor de interne wijziging van de roomskatholieke leer en kerkorde, waar
in die tijd velen naar verlangden en waar ± 40 jaar later - althans wat de
kerkorde betreft - ook wel iets van terecht gekomen is op de kerkvergadering
van Trente, die daar (in het Italiaanse Tirol) bijeen was 1545-'47, 1551-'52 en
1562-'63. Veertig jaar te laat, want toen men de put enigszins dempte, was er
al een aanzienlijk kalf verdronken. Het woord van Luther bleek, meer dan iemand
had kunnen voorzien, het woord te zijn, waarop men wachtte. Niet alleen zijn studenten
en andere mannen van wetenschap, maar heel het volk in Duitsland en ver
daarbuiten greep er naar. In duizenden afschriften en afdrukken vlogen de
stellingen overal heen.
Een algemene gespannen verwachting, dat er iets gebeuren en zou, was het gevolg.
Toen een hervorming binnen de rooms-katholieke kerk goedschiks op deze massale
deining niet volgde, leidde zij kwaadschiks tot het ontstaan van de lutherse,
evangelische, hervormde, kortom protestante kerken buiten de rooms-katholieke.
Daardoor werd ondanks zichzelf de 31ste oktober 1517 de geboortedag van de
tweede grote scheiding (de eerste was die tussen Oost en West in 1051) in de
kerk van Jezus Christus. Daardoor kunnen- evenzeer ondanks zichzelf - de
stellingen van Luther gelden als de geboorteakte van het protestantisme. Ze
worden ook als zodanig beschouwd. Dat blijkt wel uit de jaarlijkse viering,
althans de herdenking, van de 31ste oktober, die eigenlijk eer de "dag van
de 95 stellingen", dan "Hervormingsdag" genoemd kan worden.
Toch haalt men maar zelden de 95 stellingen onder het stof der eeuwen
vandaan, om ze als proclamatie weer op de kerkdeuren te plakken of thuis rustig
door te lezen. Hoe zou men ook kunnen? Er zijn veel te weinig mensen, die ze
bezitten. Ja, de meeste protestanten hebben ze nooit in hun leven gezien, zelfs
niet één keer op catechisatie!
De reden, waarom men schroomde dit belangrijke document te verspreiden, zal wel
zijn, dat het een hedendaagse protestant vrij "rooms" aandoet op het
eerste gezicht. Het is echt een stuk van een augustijner pater, die veel
kritiek op zijn kerk heeft, op haar leer (betreffende de verlossing)en op haar
inrichting (het unieke pauselijke gezag); maar die met dat al een
roomskatholieke monnik is en blijft in 1517. Misschien, nu wij in het midden
van de 20ste eeuw heel voorzichtig de aanrakingsvlakken van de beide confessies
weer beginnen af te tasten, misschien dat nu de stellingen uit hun oude doos
mogen komen om dienst te doen als het glas, waarin wij het eigengezicht
weerspiegeld zien, terwijl we daarachter tegelijk het gezicht van de ander
ontwaren.
Twee dingen tekenen Luther bij uitstek in de ogen van de hedendaagse protestant als een rooms-katholiek christen: hij spreekt zonder enige kritiek over het louterings- of vagevuur (b.v. 16-19) en hij toont grote eerbied voor het hoofd van zijn kerk, de paus (b.v. 9 en 91) Wat het louteringsvuur betreft, Luthers geloof hierin is ongetwijfeld echt. De menselijke wezens in dit vuur zijn zich van hun bestaan zelf bewust (16); ze zijn bij machte tegeloven (19); en goede werken te doen (17, 18). Misschien is dat voor Luthers geestelijke nakomelingen vandaag aanleiding om te zeggen, dat 't tot de meester nog onvoldoende doorgedrongen was, hoe zwak de bijbelse fundamenten van deze geloofsvoorstelling zijn (l Kor. III: 15? 1 Kor. XIV: 29 ? ). Misschien is het ook aanleiding, mede aan de hand van uitkomsten der wetenschappelijke parapsychologie, dit - overigens niet zo heel centrale -hoofdstuk van de wachttijd tussen onze dood en het laatste oordeel bij vernieuwing te onderzoeken .
Wat Luthers eerbied voor de paus aangaat: men moet een stelling als 9l beslist uit zijn verband rukken om te kunnen menen, dat Luther van de toepassing van het pauselijk gezag iets verwacht voor de oplossing van de hangende kerkelijke kwesties. Integendeel: een duidelijke neiging tot decentralisatie van hetkerkelijk gezag spreekt uit stelling 25. De inrichting van zelfstandige Lutherse Landeskirchen; van presbyteriale Calvijnse kerken ligt op het verlengde van de hier aangegeven lijn. Wie de stellingen aandachtig leest, merkt wel, dat er aan de voorgewende onderdanigheid een steekje los is. Aan de ene kant ziet Luther de bevoegdheid van de paus beslist kleiner, dan gebruikelijk was in de kerk van zijn tijd (5, 6, 20, 21, 25, 26, 58); aan de andere kant kan men iemand ook zo sarcastisch tegen alle mogelijke aantijgingen in bescherming nemen, dat de schijnbare roem in wezenlijke kritiek verkeert (42, 48 - 51, 55, 74, 81- 91).
Het is opvallend, dat in de stellingen soms niet weinig betekenis gehecht wordt - betekenis voor een mens zijn zaligheid - aan een verdienstelijk gedrag. In de bijbel wordt volgens stelling 18 niet weersproken, dat zelfs de menselijke wezens in het louteringsvuur tot verdienstelijke werken in staats zijn. En: kwijtschelding van alle straffen kan (23) alleen aan de "allervolmaakste" mensen gegeven worden. Hier staat tegenover dat op andere plaatsen (30, 31, 36) de zaligheid der volkomen schuldvergeving verbonden wordt aan het oprecht berouw. Men zou kunnen twijfelen: heeft Luther de voorwaarden voor het heil nog niet consequent uitgedacht of verstaat hij onder "volmaaktheid": "boetvaardigheid"; onder "een verdienstelijk werk": "het berouw"? Maar als elders de verdienste genoemd wordt een goede kennis van deaflaten (64) en een gezworen vijand van het evangelie (63), dan moet men aannemen, dat het laatste het geval is en er blijft aan Luthers oordeel over de heilsnoodwendigheid van verdienstelijke werken en volmaakte mensen geen twijfel mogelijk.
De hoofdzaak, waar het in de 95 stellingen om gaat, is de vraag naar de geldigheid van de aflaten, de kwitanties, de schriftelijke bewijzen van schuldvergiffenis en strafontheffing.
In de eerste twee stellingen drijft Luther een wig tussen de boetedoening, die Jezus bedoeld heeft en die, welke in de kerk gebruikelijk is geworden. Jezus, die de zonde gezien heeft als iets, dat de mens overal en altijd begeleidt, vraagt, dat ook de bekering uit de zonde en de boetedoening het hele leven (4)innerlijk en uiterlijk (3) doordringen zullen voor God. De kerk heeft deze door de bijbel vereiste levenshouding, althans voor het gevoel van de gelovigen, verkaveld in gedeelten, die telkens weer opnieuw afgedaan kunnen worden door een priester. De biecht is de belijdenis van bepaalde zonden geworden; de "satisfactie" (2) "afdoening" van de boetprestaties, voor die bepaalde zonden opgelegd .
Vervolgens stelt Luther zeer scherp een overeenkomstig onderscheid: of men schuldig is voor het oordeel van de paus en ingevolge het kerkrecht (5),dat slechts van kracht is binnen de grenzen van het menselijke leven (8 - 11, 13);dan wel schuldig voor God (6). In het eerste geval behoort het tot de bevoegdheid van de paus, boeten kwijt te schelden en schulden te vergeven (20-22), in zover geldt de pauselijke aflaat (34). Wie tegenover God als zondaar staat, moet bij God zelf berouwvol vergiffenis zoeken. In dat geval kan de pauselijke aflaat hoogstens betekenen de verklaring en verzekering, dat God aan berouwvolle zondaren vergiffenis schenkt (26, 28, 38). Kunnen priesters (onder hen ook de paus, 25) dus op aarde als het ware hun handtekening "voor akkoord" (26, 28, 38) zetten bij het oordeel Gods - Gods zelf beoordeelt in vrijheid, wie hij gratie verlenen zal.
Voor die gratie komen naar Luthers oordeel vooreerst in aanmerking "de allervolmaaksten" (23), of zoals verderop gezegd wordt, zij, die een volmaakt berouw koesteren (30). Koopt iemand dus een schriftelijke kwitantie vanschuldvergiffenis door bemiddeling van de paus, dan is de vergiffenis, die hij in werkelijkheid ontvangen kan, toch niet het gevolg van dat schriftelijke bewijs, maar van zijn oprechte boetvaardigheid (30 - 32, 36). Deze boetvaardigheid is het uitgangspunt van Luthers gedachtengangen over Godsvergiffenis. Hij stelt haar voorop in stelling 1 en eindigt met de uiterlijke tekenen ervan in stelling 94 en 95, waar hij haar tevens nog eens tegen een schriftelijk akkoord opweegt. Daarmee zijn de aflaatbeloften tot een koers van nul gereduceerd (32, 52). Men kan ze kopen, men kan het ook laten (47) Ze zijn minder waard dan werken van liefde en barmhartigheid (41 -43), want die vermeerderen de barmhartigheid, maar aflaatbrieven verminderen alleen de straf(44), wat een averechtse uitwerking heeft (45). Zelfs het onderhouden van het eigen gezin heeft voorrang boven het kopen van aflaatbrieven (46 ) .
Toch is 't niet alleen het berouw, dat toegang verleent tot de gratie van God(dan zou een acte, een daad, een houding van de mens de uitsluitende grondslag van het heil zijn). Neen. Wat honderd maal meer waard is dan de aflaatpredikatie, is het woord Gods (53-55). D·t is de schat der kerk (56-62),door Christus' verdienste aan haar verleend (60): het evangelie. Breekt Luther dan ook nog eens in stelling 71 een lans voor de apostolische aflaatbrieven, dan is het om in een vlijmscherpe tegenstelling de wijze, waarop ze aan de man gebracht worden, te hekelen (72-75). Ze kunnen de kleinste der vergefelijke zonden niet uitwissen (76). Ver boven de weldaad van de aflaat (77) staat de weldaad van het evangelie (18).
De vroeg-16e-eeuwse praktijken van de aflaatverkoop worden vinnig aan de kaak gesteld (57, 65 - 67, 82 - 85). Maar Luther betwist in wezen de bevoegdheid zelf van de paus om aflaat te verlenen, anders dan van pauselijke of kerkrechtelijke straffen. Dit evangelie: dat ieder berouwvol christendeelgenoot is in alle goederen van Christus, is de enige zekerheid, waarop Luther het heil van een mens gebaseerd wil zien (36, 37, 87) . Daarmee heeft Luther eens en voorgoed geformuleerd, wat de zwakke kant van het protestante christendom zal zijn: het wil geen enkele menselijke garantie of verzekering om op te steunen. Het is geen aanlokkelijk geloof, waarin boetvaardigheid en zelfveroordeling duurzaam blijven tot aan de ingang van het koninkrijk derhemelen (4, 94, 95). Dat is tegelijk de sterke kant ervan, de enige sterkte, waarmee Luther het protestantisme de toekomst instuurt, dit evangelie: God heeft zich naar de mensen toegewend in Christus, die ons leven en onze dood deelde. Dat is zijn enige aantrekkingskracht: Ieder mens, die zich met hart en ziel tot Christus wendt, heeft zonder meer deel aan zijn sterven en leven bij god ( 36, 37, 87 ) .
Voor de twee begrippen "zich bekeren" en "boete doen" wordt in het Latijn één woord gebruikt: "penitentia". Dat is de taalkundige oorzaak van de knoop, die Luther in stelling 1 en 2 direct moet ontwarren, zie boven bij "bekering als levenshouding". Als Jezus zegt: "Bekeert u" (Matth. IV: 17), dan heet het "penitentiam agite". Legt een priester na de biecht aan de mensen een bepaalde satisfactie op, bestaande uit gebeden bijvoorbeeld, een geldboete of een bedevaart, dan heet ook dat "penitentia agite" . Het woord komt vertaald voorin stelling 1 als "bekeert u" en nog eens als "bekering en boetedoening"; instelling 2 en 4 als "boetedoening" .
Het enige Griekse woord in de (oorspronkelijk Latijnse) stellingen is instelling 11 "zizanion", dat "dolik", "zwartkoorn" betekent. Door dit woord te gebruiken, dat aan de gelijkenis van het onkruid herinnert (Matth. 13: 25),insinueert Luther zonder het te zeggen, dat de uitstrooier de duivel zelf is(Matth. 13:19).
De marteldood van de diaken Laurentius, indien historisch, viel te Rome 10aug. 258. De Spanjaard Prudentius Clemens schrijft over hem in zijn "Psychomachia" (Bakhuizen v. d. Brink-Lindeboom blz. 93, 166 ) .
Het onderzoek op de plaats, waar in 1517 de westelijke tak van Christus' kerk zich weer vertakte in rooms-katholieke en protestante confessie is tegelijk vanzelf een onderzoek op de plaats, waar twee confessies het laatst bijeen waren. Misschien kan daarom deze populaire uitgave van pater Martinus Luthers stellingen gebruikt worden, niet alleen als een hulpmiddel voor protestanten om zich van hun aard en herkomst degelijker bewust te worden; maar ook als een stimulans voor het gesprek tussen rooms-katholieken en protestanten.
Geschreven door Frans van der Heijden (1918 – 2009) in 1960, toen
Nederlands Hervormd predikant te Lochem, Gld. Nederland.
Beschikbaar gemaakt voor Internet door Drs Adosh W. van der Heijden,
adoshVERWIJDER at HOOFDLETTERSknoware.nl
© Copyright F. van der Heijden. Het is niet toegestaan deze informatie voor
openbare toegang beschikbaar te stellen op andere plaatsen dan deze:
http://utopia.knoware.nl/users/adosh/luther/inleiding.html. Links naar deze
site zijn toegestaan na overleg met Drs Adosh W. van der
Heijden